Startpagina nl20a  en20a  d20a  f20a  eo20a

Een badpak of zwembroek aantrekken om in de rivier te gaan zwemmen. In de Middeleeuwen zou men dat belachelijk gevonden hebben. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een afschrift van een verdrag van Frederik de Tweede, gemaakt in Lotharingen in de 13e eeuw. Een miniaturenschilder heeft dit afschrift verlucht met een voorstelling van de apostel Johannes die in adamskostuum in de zee zwemt bij Patmos. Zijn broek, hemd en mantel (alles naar de nieuwste middeleeuwse mode) liggen op het strand.

Een groep in 1498 door Signorelli afgebeelde badgasten schaamde zich al evenmin over hun naaktheid. Een van hen dient zelfs als achtergrond voor de maagd Maria met kind, die hiervan verblikt noch verbloost. De geestelijkheid in deze tijd predikte nog niet de preutsheid die de periode van de reformatie en de contrareformatie zou voortbrengen.

Men kleedde zich uit om in de zee Badende studenten (Thomas Eakins) of in een rivier te baden, maar ook midden in Parijs aan de oevers van de Seine, waar passanten en verkopers toekeken, zoals blijkt uit een miniatuur in een beschrijving van het leven van de heilige Dionysius. Niemand die op het idee zou komen, badkleding te dragen, zelfs niet diegenen die het met hun lichaam niet zo hadden getroffen, ook al gebruikten die hun handen, hoed of andere kledingstukken om hun genitaliën aan het oog te onttrekken tot zij in het water waren. De Franse schrijver François Béroalde de Verville merkte hierover sarcastisch op, dat als ze hun mond ver genoeg zouden kunnen opensperren, ze deze er ook nog voor zouden houden. Dat het niet het fatsoen is dat hier het gedrag bepaalt, blijkt wel als je ziet hoe trots anderen juist tonen wat ze hebben vooraleer het water in te gaan.

Pas in de renaissance en wel het eerst in de protestantse landen, komen er verordeningen waarin het naakt baden verboden wordt. Dit lijkt paradoxaal in een tijd waarin naaktheid in de kunst alle ruimte krijgt en de menselijke anatomie nauwkeuriger weergegeven wordt dan ooit tevoren. Het motief van een wulpse Diana tijdens het bad ontwikkelt zich in een periode waarin aan vrouwen het baden in de rivier verboden wordt. Er is echter wel degelijk een samenhang, een soort evenwicht tussen vrijpostigheid en preutsheid.

Zo werden in 1541 in Frankfurt acht mensen betrapt die in de Main baadden "zoals God ze geschapen had, volledig naakt en zonder schaamte." Ze worden veroordeeld tot vier weken op water en brood in de gevangenis. Een afschrikwekkend voorbeeld bleek dit echter niet te zijn. In het jaar 1548 roept de stedelijke overheid de gildemeesters op, "hun leergezellen bij te brengen, bij het baden hun onderkleding te dragen." De verordening wordt in 1550 vernieuwd. De leergezellen dienen enkel "bedekt en op gepaste wijze" de rivier in te gaan.

Dreiging met straffen, geldboetes, gevangenisstraf, inbeslagname van de kleding: niets baat. De leergezellen blijven midden in de stad hun naakte lichamen tentoonstellen. Een eeuw later eindigt deze onderbroekenstrijd doordat de overheid ten slotte het baden in de rivier helemaal verbiedt.

Bron: ‘Histoire de la pudeur’ [1986] van Jean-Claude Bologne, vertaald uit de Duitse uitgave ‘Nacktheit und Prüderie’, ISBN 3-7400-1138-6.